De VOC en Albertus Aengenent

VOC

Albertus Angenent voer op een VOC-schip richting Batavia. Het liep helaas niet goed voor hem af. Maar eerst iets over de Verenigde Oost-Indische Compagnie, de VOC.

De VOC is in 1602 opgericht, onder dwang van Johan van Oldenbarnevelt en Prins Maurits. Ze dwongen kleinere compagnieën, die al op het oosten voeren, samen te werken om internationaal (vooral tegen Portugal) sterker te worden. Zo werd de VOC het grootste handelsbedrijf ter wereld. De Staten-Generaal van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden verleende toen aan de VOC het alleenrecht om handel te drijven met het oosten. De Compagnie werd onderverdeeld in 6 kamers (de afdelingen uit de kleinere compagnieën), namelijk de kamers Amsterdam, Zeeland, Enkhuizen, Delft, Hoorn en Rotterdam. Rotterdam had vanaf 1632 een eigen scheepswerf en kon het nu zelf schepen bouwen in plaats van huren. Onze Kamer van Koophandel is een afgeleide van de VOC-kamers.

De VOC had een eigen leger en oorlogsschepen. Rond 1700 was de helft van alle werknemers soldaat.

De VOC droeg bij aan de Gouden Eeuw van de Republiek. De keerzijde daarvan was slavenhandel, het uitbuiten van gekoloniseerde gebieden, het gebruik van veel geweld zoals de moord op 10.000 werkloze en in opstand gekomen chinezen in 1740 in Batavia. De VOC deed meer. Het stimuleerde ontdekkingsreizen om kortere verbindingen met het oosten te ontdekken. Men zocht voortdurend naar nieuwe handelscontacten en producten. En het deed taalonderzoek om beter het christelijk geloof onder de aandacht te brengen bij de plaatselijke bevolking. Op hun toppunt had de VOC 25.000 werknemers waarvan er 3000 in Nederland werkten. Tweehonderd jaar later in 1799 werd de VOC ontbonden.

De bouw van een gemiddeld transport zeilschip duurde tussen de 5 en 8 maanden en het schip moest dan ongeveer 14 jaar meegaan. De Batavia is het bekendste schip van de VOC dat rond 1628 in Amsterdam is gebouwd. Tijdens de eerste reis sloeg het schip lek in 1629 voor de Australische westkust. Het wrak bevindt zich in een museum in Australië en een replica is tussen 1985-1995 gebouwd en te bezichtigen in Lelystad.

Een enkele reis van Nederland naar Batavia duurde gemiddeld en afhankelijk van het weer zo’n 8 maanden. Er was een verplichte tussenstop bij Fort Kaap de Goede Hoop waar vers voedsel en water ingeslagen werden. Albertus voer in 4,5 maand naar Kaap de Goede Hoop waar zijn schip twee weken bleef. Het tweede deel van de reis duurde zo’n 3 maanden. Vijf maanden bleef het schip van Albertus in Batavia.

Het houten fort Kaap de Goede Hoop, gebouwd door Jan van Riebeeck, in de ronding van de Tafelbaai, ten noorden van Kaapstad, werd later Kasteel de Goede Hoop.

Foto Marc Angenent gemaakt in 2008. Het zuidelijkste puntje op Kaap de Goede Hoop.

De leef- en werkomstandigheden op het schip en vooral in het ruim waren bijzonder slecht. De ongezonde en bedompte lucht in het ruim en bedorven voedsel en water zorgden voor een hoog sterftecijfer. Ruim 57% van allen die op VOC-schepen uitgevaren waren overleden tijdens hun dienstjaren aan o.a. longontsteking en scheurbuik. Ook op de eindbestemming, Batavia, stierven er veel opvarenden. Men noemde Batavia toen het kerkhof der Europeanen. Met name malaria zaaide er dood en verderf.

Albertus en Hendricus waren twee Angenenten die op een VOC-schip gevaren hebben. De eerste hoort thuis in onze stamboom, bij de tweede heb ik nog geen connectie kunnen vinden maar toch leuk om te vertellen. Ik stel ze allebei voor:

Albertus Aengenent

Albertus is geboren in 1744 in Rotterdam als zoon van Hendrik Aengenent (1711-1754) en Johanna Havermans (?-1765). Na hem kwamen nog twee broers en twee zussen. Albertus zit in onze stamboom in de tak Jan en Gritgen.

Of de 23-jarige Albertus in 1767 voor het avontuur ging of geronseld werd door mooie praatjes van een van de VOC-ronselaars van kamer Rotterdam dat weten we niet. Hij ging in ieder geval mee met de allereerste reis van het nieuwe schip de Ridderkerk. De Ridderkerk is een fregat, een snel varend zeilschip voor de koopvaardij, uitgerust met kanonnen. De lengte was ruim 39 meter. Er was plaats voor 285 koppen.

Albertus had een van de laagst gewaardeerde baantjes op het schip. Hij was namelijk opperkruier of opperkuiper.

Een opperkruier is iemand die toezicht hield op het openen en verwerken van de inhoud van vaten en kuipen. Oorspronkelijk was een kruier iemand die producten vervoerde met een kruiwagen. Als rangorde op het schip waren daar de onderkruier, de opperkruier, de botteliersmaat en de bottelier. De Bottelier was verantwoordelijk voor de voorraad en distributie van voedsel en drank aan de kok.

Daar gaat ie, 14 oktober 1767, uitgezwaaid op de kade door vader, moeder, broers en zussen. Bijna de hele reis van Rotterdam maar Kaapstad slaapt en werkt Albertus benedendeks, de slechtste en meest ongezonde plek op het schip. Stank, onhygiënische toestanden, ziekten, kotsen en hoesten. Albertus leeft er vier maanden tussen. Op 8 maart 1768 meerde het schip aan bij Kaap de Goede Hoop in de Tafelbaai. Albertus keek zijn ogen uit. In Rotterdam opgegroeid en nu rondlopend in de buurt van de Tafelberg. Twee weken later alweer, 22 maart, vertrok het schip voor het tweede deel van de reis naar Batavia waar het op 12 juni 1768 aankwam. Albertus had het overleefd. Hij was wel verzwakt, maar is gespaard gebleven voor scheurbuik en andere ziekten. Het was zwaar geweest. Vele anderen waren gestorven en overboord gekieperd met een zeemansgraf. Albertus heeft echter niet lang kunnen genieten van het voor hem vreemde land. Door de moerassige gebieden rondom Batavia wemelden het van de muggen. Albertus kreeg malaria zoals zovelen voor hem en na hem. Hoge koortsaanvallen, spierpijn, hoofdpijn en koude rillingen werden Albertus fataal. Twee maanden na aankomst op 31 augustus overleed Albertus.

Het schip de Ridderkerk vertrok met veel minder opvarenden dan de heenreis, maar met een ruim vol met specerijen. Op 06 november 1768, keerde het terug in Nederland. Pas bij aankomst van het schip hoorden zijn vader en moeder dat hij het niet heeft overleefd, ze hebben hem nooit meer gezien.

Aankomst bij de haven van Batavia.

Hendricus Aengenent

Hendricus heb ik niet kunnen koppelen aan onze stamboom. Zijn dienstjaren bij de VOC zijn echter wel bekend.

Hendricus werkte voor kamer Delft. Hij vertrok een paar jaar eerder dan Albertus in 1762 met het gehuurde schip Overschie naar Batavia. Hendricus had het iets beter dan Albertus, hij was soldaat en ging een aantal jaren dienen in Batavia in kasteel Batavia.

Een soldaat hoefde meestal niet zoveel op het schip te doen. Voor hem was de reis dan ook meer een overtocht dan werken. In april 1773 kwam Hendricus aan in de haven van Batavia. Hij zou er vier en een half jaar lang dienst doen. In november 1767 ging Hendricus met het schip Ritthem, ook van kamer Delft, weer op huis aan waar hij in juni 1768 aankwam.

Onderzoek perikelen

Op de grootboekpagina van de Inventaris van het archief van de VOC vinden we de plaatsnaam van Hendricus. Volgens mij staat er Kerkendonk. Of hij daar geboren is of woonde is niet bekend. Of het dorp in Nederland of in België ligt is niet bekend. Het dorp Kerkendonk is verder niet te achterhalen.

Hendricus Angenent, van Kerkendonk, soldaat.

Overigens schrijft hij zijn eigen naam anders bij het ondertekenen van ontvangen soldij.

Hendrik Aengenet

Gebruik gemaakt van o.a. de volgende websites: Geschiedenis Magazine, Open Archieven, VOC-site, scriptie Zuid-Nederlanders in dienst van de VOC.

Met dank aan Sven Angenent voor geleverde informatie.