Jan Aengenendt en de 3 gravinnen

Pectoraal

Jan Aengenendt

(De bovenste foto is een voorbeeld van een pectoraal, een kruis dat op de borstkas hangt, die de gravin als abdis droeg in Stift Elten).

Geboren in 1693 in Haldern (40 km ten noorden van Gelre) – Gestorven na 1735 in Elten. Getrouwd met Maria Holtermans in 1723.

In onze stamboom nageslacht van Gerardus (1552) > Albertus (1577) > Jan (1609) > Jan (1647) > Jan (1693).

Jan zijn ouders (Jan aen gen Eijndt en Catharina Albertsen) zijn zelf geboren in Gelre. Hij was de jongste van vijf kinderen en Jan en Maria hadden zelf zeven kinderen, drie zonen en vier dochters, allemaal geboren in Elten.

We kunnen ervanuit gaan dat Jan boer was net zoals zijn broers, zijn vader en ooms. Het was een agrarische samenleving en bijna iedereen had wel iets van doen met landbouw of veeteelt. Maar met Jan was er meer aan de hand. Jan was niet zomaar een boer, hij was een pachter. Dat wil zeggen dat hij een boerderij met land en vee huurde en daarvan een deel, meestal in natura, moest afstaan. Jan had blijkbaar kwaliteiten om te organiseren, te regelen en leiding te geven. Zo’n pachtcontract kon drie jaar duren met steeds de mogelijkheid van verlenging. Die drie jaar is gebaseerd op het drieslagstelsel waarmee men veeteelt en landbouw bedreef. Jaarlijks een stuk grond voor de landbouw, een stuk grond voor de veeteelt en een stuk om braak te laten liggen. In drie jaar heeft elk stuk een keer braak gelegen. Lees hier meer over op de website: Van 1700-1800 > Het boerenleven van Jan Aengenendt.

Stift Elten

Dat Jan een pachter was kunnen we opmaken uit het feit dat bij drie van zijn zeven kinderen een gravin als doopgetuige optrad en meter was. De peter was bij twee van de drie kinderen ook van adel. En ook twee kleinkinderen van Jan hadden een adellijke meter. En dat speelde zich allemaal af in Elten.

Zo’n adelijk persoon trad natuurlijk niet zomaar op als doopgetuige bij Jan en alleman, maar alleen bij die werknemers waar ze uiterst tevreden over waren en die belangrijk waren. Goede pachters namelijk zorgden namens de adel of een klooster voor inkomen en voedsel voor de adel en zorgden voor hun bezit. Een kind dat iemand van adel had als doopgetuige of als peter of meter had natuurlijk ook voor later een enorme steun in de rug voor zijn of haar verdere leven.

Wie was dan die gravin die meter was en doopgetuige? Dat weten we precies uit de doopakten van Elten. Het was Maria Eugenia gravin van Manderscheid-Blankenheim abdis van Elten. Zij is geboren in 1679. Het hele verhaal lees je hier: De gravinnen van Manderscheid.

De adellijke doopgetuigen

De eerste drie kinderen van Jan en Maria hadden adellijke doopgetuigen. Waarom de andere kinderen dat niet hadden is niet bekend. Mogelijk dat de abdis niet in de buurt was. In principe werd er vrij snel na de geboorte gedoopt. De Roomse gedachte is dat een ongedoopt kind bij overlijden niet in de hemel zou komen. Toch werd er soms een paar dagen extra gewacht met de doop als er een kans bestond dat iemand van de adel toch present zou kunnen zijn.

De volgende drie kinderen van Jan en Maria hadden adellijke doopgetuigen:

Dochter Maria Eugenia Carolina (duidelijk vernoemd naar de gravin) is geboren in 1724 in Elten. Haar doopgetuigen en meter en peter waren Maria Eugenia abdis van Elten geboren gravin van Manderscheid-Blankenheim en baron Carolus Daniel de Javelle.

Zoon Eugenius Johannes Henricus is geboren in 1725 in Elten. Ook bij hem was de gravin doopgetuige en meter en als peter Johannes Henricus Kerssenbroeck. Hij was dokter en was bestuurder in Elten. Twee van Eugenius zijn kinderen hadden ook hooggeplaatste doopgetuigen.

Dochter Maria Eleonora is geboren in 1728 in Elten. Niet gravin Maria Eugenia, maar haar zuster Maria Eleonora abdis van Elten geboren gravin van Manderscheid-Blankenheim was nu doopgetuige en meter. Als peter trad op Anton Joseph Reijgers, ‘amptman von keiserlichen freien stift elten‘. Een amptman was een beheerder en opzichter van de landgoederen van het Stift. Een hoge functie.

De andere kinderen namelijk Jacobus (1730?), Wilhelm (1730), Mechtildis (1731) en Joanna Mechtildis (1735) hadden buren, vrienden of andere familieleden als doopgetuigen.

Twee van de vijf kinderen, de kleinkinderen van Jan, van Eugenius Johannes Henricus en Barbara Carles (of Caal, Caalen), hadden ook belangrijke doopgetuigen:

Zoon Franciscus Josephus is geboren in 1761 in Elten. Doopgetuige was Maria Catharina Franzisca gravin van Manderscheid-Blankenheim en Gerolstein en abdis van Elten van 1740-1784. Een tweede meter was Maria Catharina Hermans Veld en als peter grootgrondbezitter Matheus Josephus Peterca.

Dochter Maria Alexandra is geboren in 1763 in Elten. Doopgetuige en peter was Antonius van de Sande rechter in Elten en schepen H. Verheijen en zijn vrouw Speekslager.

Zicht-op-Elten
Zicht op Elten

Lakzegel van Maria Eugenia van Manderscheid