Het boerenleven van Jan Aengenendt

Boeren leven

Het Boerenleven – Schilder onbekend

Tot en met ongeveer de 18de eeuw waren de Angenenten voornamelijk boeren of akkerbouwers. De meeste mensen in de dorpen waren dat overigens ook. Er waren verschillende mogelijkheden:

1. Je kon dagloner zijn die werkte voor verschillende boeren.

2. Je kon een keuterboer (kleine boer) zijn die wel grond bezat maar er niet van kon leven en daarom in oogsttijd bij anderen werkte.

3. Je kon een zelfstandige boer zijn met eigen land, hof en vee, maar dat kwam niet veel voor.

4. Je kon een pachtboer zijn die een grote boerderij huurde tegen een deel van de opbrengst. Grote boerderijen waren vaak van de adel of van een klooster.

5. Verder waren er landbouwers, akkerbouwers, molenaars, handelaars en bierbrouwers.

Jan Aengeneendt (of Aengenendt) was een pachtboer zo rond 1724. Hij had een boerderij gepacht van het Stift (Abdij) Elten. In de abdij woonden kanunnikessen en de vrouwelijke abdis was niet alleen hoofd van de abdij maar ook van het hele Stift-gebied waar ze wereldlijke macht had zoals belasting heffen en recht spreken.

Als pachtboer moest je met gezag kunnen organiseren en plannen, want er werkten continu een aantal knechten en meiden, een herder en bijvoorbeeld een varkensjong. In de oogstseizoenen kwamen daar nog tientallen tijdelijke werkers bij. Jan kon dit blijkbaar runnen. Goed voor hem want als een pachtperiode ten einde liep dan kon een tevreden abdis deze periode verlengen of dan vond de pachter, vanwege zijn bekwaamheden, gemakkelijk elders weer werk. Een pachtperiode duurde een aantal jaren op grond van een contract. De meest voorkomende pachtvorm was de halfpacht. De pachtboer betaalde dan een zekere hoeveelheid in natura aan de abdij.

Een voorbeeld van een gedetailleerd pachtcontract kan er zo uitzien:

  • Het gezin (man, vrouw, kinderen en personeel) moest een vriendelijk leven leiden, er mochten geen klachten komen.
  • Er was een herder. Het hoeden van de schapen mocht niet door een knecht of een meid gedaan worden. Ook mochten schapen die niet bij de kudde hoorden meegehoed worden. Men diende 100 schapen te houden, waarvoor de pachter 156 schoven koren als bijvoeder tijdens de winter kreeg toegewezen.
  • Alles wat binnen twee dagen door de pachter zelf gerepareerd kon worden moest hij ook zelf doen. Anders mocht hij hulp inroepen, zoals bij het jaarlijkse versterken van het rieten dak. De abdij betaalde dan de kosten van het materiaal.
  • Als de boerderij of de stallen zouden afbranden door nalatigheid van de pachter of door iemand van zijn personeel dan waren de kosten voor heropbouw voor hem.
  • Hij mocht alleen gronden van het Stift in cultuur brengen. Niets mocht in onderpacht komen, ook landerijen mochten niet versnipperd worden.
  • De pachter moest alle heggen, greppels, hekken en wanden onderhouden. Hij diende zelf voor het benodigde hout te zorgen door op eigen kosten jaarlijks 40 wilgen of populieren te planten.
  • Behalve de paarden was de helft van de dieren en van de opbrengst van het land voor het Stift, de andere helft voor de pachter zelf. Bij de deling moest de pachter de beesten in tweeën zetten, waarbij het Stift de eerste keus had.
  • In het voorjaar werden de schapen geschoren. Tijdens dit scheren zorgden de Kanunnikessen voor een ton bier.
  • Het klooster mocht ten alle tijden het vee komen tellen. Ook moest bijgehouden worden als dieren stierven (werd opgeschreven op een kerfstok). Van een dood dier moest een oor worden bewaard.
  • Er moesten 8 melkkoeien worden gehouden, jaarlijks moesten er vier kalveren worden gefokt. Er moest jaarlijks dertig pond boter worden geleverd en enkele hand- of perskazen.
  • De pachter mocht een derde deel van het fruit hebben.
  • Vijf dagen in het jaar moest hij hand en spandiensten verrichten voor het Stift, bijv. door turf te brengen. Met Pasen moest hij zijn beleefdheid tonen door een boterbrood, 100 verse eieren, een lam en een vet kalf te geven aan het Stift.

De pachtperiode was gebaseerd op het drieslagstelsel: in de winter werd het land ingezaaid met meestal rogge en boekwijt. Een ander deel van het land werd ’s zomers ingezaaid met peulvruchten of voedergranen (spelt, gerst, haver en ook rogge). Een derde deel liet men braak liggen en dat werd gebruikt om het vee te laten grazen. Zo werd het braakliggende terrein tegelijk van mest voorzien. Voor de winter werd de braak van onkruid ontdaan en opnieuw gebruikt voor de winterslag. Alle drie de stukken land werden iedere keer voor een andere functie gebruikt. De volgorde was: winterslag, zomerslag, braak enz. Ook de stoppelvelden na de oogst werden voor beweiding gebruikt.

Lees ook: Jan Aengenendt en de drie gravinnen.